• 07
    dec.
    Verzekeringen Ides Ramboer ziet groeimarkt in vrije beroepen en over de taalgrens 

    “Door zuiver te mikken op verzekeringen voor vrije beroepen en ondernemingen, kunnen we onze taak van makelaar rechtuit spelen”, analyseert algemeen directeur Hein Ardenoy van verzekeringen Ides Ramboer. Vanuit die kristalheldere focus werkt de Lichterveldse groep aan actieve expansie naar het Franstalige landsgedeelte en naar andere segmenten van vrije beroepen buiten haar traditionele achterban in de bouw.

    In 2005 vertrouwde verzekeringsondernemer Ides Ramboer (67) uit Lichtervelde de operationele leiding toe aan Hein Ardenoy (47), ingeweken vanuit Zwevegem. Beiden delen niet alleen de sportmicrobe, maar evenzeer dezelfde visie op het verzekeren van ondernemers, meer specifiek uit de bouwsector en heel in het bijzonder de vrije beroepen. Sinds de start in 1973 groeide het kantoor tot 11 personen, een mix van ervaren medewerkers van het eerste uur met jonge talenten.

    “Ruim 70% van onze polisomzet wordt gerealiseerd bij vrije beroepen uit de bouwsector. Zowat 2000 van onze 3200 klanten zijn architecten, landmeters, veiligheidscoördinatoren, EPB-verslaggevers, studiebureaus, vastgoedmakelaars, enzovoort. Het zwaartepunt ligt bij de architecten en studiebureaus, doch geregeld komt er wel een nieuwe activiteit en dito beroepsgroep bij. Daarnaast bestaat  een 25% van onze portefeuille uit zelfstandigen en kmo’s. Historisch verzekeren we ook een klein aantal particulieren. Ze zijn welkom en genieten tevens onze persoonlijke en uitgebreide dienstverlening, maar we prospecteren niet actief op dit segment”, vertelt Hein Ardenoy.

    Hoe gaat het momenteel in de bouw?

    Hein Ardenoy: “Tot nu toe was de bouw nog niet echt onderhevig aan de crisis. In het verzekeren van vrije beroepen worden de pieken afgevlakt doordat polissen meegaan met de ereloonnota’s. De voorschotten zijn telkens gegarandeerd maar de afrekening komt pas een jaar later. In 2012 zien we nog altijd een lichte groei. Voor 2013 horen we links en rechts dat de markt verzadigd geraakt, voornamelijk bij de promotiebouw en nieuwe appartementen.”

    Ides Ramboer: “Als zelfs staatsobligaties niet meer van de hand gaan, dan wijst dat er toch op dat de bevolking aarzelt om zijn centen te besteden. Maar oudere woningen zullen nog steeds vervangen worden. Daarnaast is er zeker nood aan sociale woningen en scholen, waardoor architecten en aannemers werkzekerheid krijgen. We gaan alleszins niet opnieuw naar een zware bouwcrisis zoals in de jaren 80.”

    Hein Ardenoy: “Daarvoor geeft de overheid nu genoeg impulsen met de specifieke crisismaatregelen en met subsidies voor diverse bouwtechnieken.”

    Hebt u groeiplannen?

    Hein Ardenoy: “Een eerste voorzichtige poging leerde dat er veel potentieel zit over de taalgrens. We zoeken iemand die in Wallonië een commerciële rol kan opnemen. Dat kan een overname zijn maar in de praktijk zien we daar geen gelijkaardig kantoor. Nochtans is er een grote markt voor onze service en gespecialiseerd aanbod. Naast die geografische expansie zoeken we ook uitbreiding naar andere vrije beroepen. Een architect werkt inhoudelijk weliswaar anders dan pakweg een advocaat maar de juridische aspecten van beroepsaansprakelijkheid en de specifieke klantenbenadering van vrije beroepen lopen gelijk.”

    Speelt de internationalisering een rol?

    Hein Ardenoy: “Voor een aantal projecten zien we bijvoorbeeld Nederlandse bureaus op de Belgische markt komen. Buitenlanders werken echter altijd samen met een plaatselijk bureau wegens de lokale bouwknowhow en de kennis van de wettelijke voorschriften. Inzake verzekeringsplicht kennen België en Frankrijk de meest strikte regels. Op zich is dat geen slechte zaak. Vanuit de sector zouden we graag de verzekeringsplicht voor de architect doorgetrokken zien naar een gelijkaardig niveau voor alle bouwpartners. Het Grondwettelijk Hof sprak zich al in die zin uit maar voorlopig beweegt de wetgever niet.”

  • 01
    dec.
    5 jaar wet Laruelle - een stand van zaken 

    Sedert 1 juli2007 is de wet Laruelle in voege.  Hiermee werd aan de architecten de mogelijkheid geboden om hun activiteiten uit te oefenen als architect-rechtspersoon en zo hun persoonlijke aansprakelijkheid te beperken tot het vennootschapsvermogen. Hierna een stand van zaken.

    Voor de invoering van de wet Laruelle konden alleen natuurlijke personen optreden als architect. Hierdoor stonden ze steeds met hun volledig persoonlijk vermogen in voor de vergoeding van alle schade door hun fouten begaan bij de uitvoering van de architectenovereenkomst.  Dit bleef zelfs zo ingeval de architect zijn activiteiten uitoefende in het kader van een vennootschap, in tegenstelling tot andere vrije beroepers, die hun aansprakelijkheid wel konden beperken tot hun vennootschap.

    Inschrijving op de tabel van rechtspersonen bij de Orde van architecten - een voorwaarde om als architect te kunnen optreden - vereist dat de vennootschap aan een aantal voorwaarden voldoet. Zo moet o.m. de vennootschap een burgerlijke vennootschap zijn, de benaming moet het woord “architect” bevatten en minstens 60 % van de aandelen in handen zijn van een architect.

    De wet Laruelle beoogde een evenwichtige aansprakelijkheidsregeling voor de architect, maar wou tegelijk ook meer waarborgen bieden voor de bouwheer.  Hiervoor werd aan alle natuurlijke personen en rechtspersonen die het beroep van architect uitoefenen de wettelijke verplichting opgelegd om hun beroepsaansprakelijkheid te verzekeren.  De wet bepaalt ook aan welke voorwaarden deze verzekering minstens moet voldoen.  Er zijn o.m. minimaal opgelegde verzekerde kapitalen, er mag geen beperking van tussenkomst zijn op jaarbasis, de tienjarige aansprakelijkheid moet verplicht verzekerd worden.  Alle polissen werden aangepast om te voldoen aan de voorwaarden.

    Ondertussen zijn we 5 jaar verder en merken we dat een aantal vragen of problemen  regelmatig terugomen.

    De 'verzekerde'

    Een eerste vaststelling is dat de aangeduide 'verzekerde in de polis niet steeds correct is. Indien de activiteiten worden uitgeoefend als architect-natuurlijke persoon is de architect in persoonlijke naam zowel verzeekeringnemer als verzekerde. Bij vennootschap moet nagekeken worden of deze voldoet aan de vereisten van de wet Laruelle en is ingeschreven op de tabel van rechtspersonen bij de orde van architecten.  Is dit het geval dan wordt de architect-rechtspersoon aangeduid als verzekeringnemer en als verzekerde.We stellen echter regelmatig vast dat statuten van vennootschappen die dateren van voor de wet Laruelle niet werden aangepast. Deze vennootschappen kunnen niet ingeschreven worden op de tabel.  De architect-natuurlijke persoon blijft dan persoonlijk aansprakelijk en moet bijgevolg als verzekerde worden aangeduid.  De vennootschap kan wel verzekeringnemer zijn. Om de persoonlijke aansprakelijkheid te vermijden, moeten de statuten van deze vennootschappen aangepast worden of moet er een nieuwe vennootschap worden opgericht. Oprichtingsstatuten en aanpassingen van statuten van bestaande vennootschappen moeten steeds ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Orde. Vanaf dat uw vennootschap op de tabel is opgenomen, is het de vennootschap die architectuur beoefent.  Voor opdrachten die nog niet opgeleverd zijn kan nog geprobeerd worden om de aansprakelijkheid over te dragen naar de vennootschap,  mits opmaak van een addendum aan de architectenovereenkomst ondertekend door de bouwheer, de architect-overdrager en de architect-overnemer.

    Stopzetting

    Tweede vaststelling is dat er vaak discussies zijn bij stopzetting van de verzekerde activiteiten. De wet Laruelle heeft een verplichte verzekering ingevoerd voor alle architecten ingeschreven op de tabel met inbegrip van hun tienjarige aansprakelijkheid. Bij stopzetting van activiteiten zal de polis dus automatisch omgevormd worden naar de waarborg posterioriteit.  Deze omvorming zal ten vroegste gebeuren op datum waarop de inschrijving van de tabel wordt weggelaten en er is een éénmalige posterioriteitspremie verschuldigd. Deze omvorming en de berekening van de premie zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden. Vanaf deze datum mogen geen architectuuractiviteiten meer uitgeoefend worden en kan dus voor het laatst een tienjarige aansprakelijkheid beginnen lopen. De éénmalige posterioriteitspremie wordt berekend op basis van de gemiddelde definitieve premie van de laatste jaren.   

    Verzekerde kapitalen

    Een laatste bemerking betreft de verzekerde kapitalen. De wet legt minimaal op om  per schadegeval 1.500.000 € voor lichamelijke letsels te verzekeren. Voor stoffelijke en onstoffelijke schade vermengd ligt dit bedrag op 500.000 € en voor toevertrouwde voorwerpen op 10.000 €.  De waarborglimieten die vroeger bestonden op jaarbasis of voor een bepaalde opdracht zijn niet meer toegelaten. Algemeen kan gesteld worden dat deze opgelegde bedragen volstaan voor individuele woningbouw en voor kleinere KMO-constructies. 

    Voor grotere projecten, waar onder meer de commerciële gevolgschade belangrijk kan zijn (vb. handelszaken of industrie), kunnen deze bedragen echter onvoldoende zijn.   Hogere verzekerde kapitalen kunnen voorzien worden in de polis voor alle activiteiten van een verzekerde, maar ook voor één bepaalde opdracht.   

  • 01
    dec.
    Verzekeringen Ides Ramboer ziet groeimarkt in vrije beroepen en over de taalgrens 

    tekst???

  • 20
    nov.
    Rookmelders verplicht in Vlaanderen 

    Sinds 2009 zijn in Vlaanderen rookmelders verplicht in nieuwbouwwoningen en bij grondige renovatiewerken met een stedenbouwkundige vergunning. Voor huurwoningen was er tot nog toe geen verplichting, maar daar komt verandering in. Vanaf 1 januari  2013 worden rookmelders ook verplicht in huurwoningen.

    Nieuwe regeling van kracht vanaf 01/01/2013

    Het Vlaams decreet houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders van 01/06/2012 vervangt het decreet van 08/05/2009.
    De nieuwe regeling zal uiterlijk op 1 januari 2013 in werking treden. Vanaf dan geldt de verplichtingen van rookmelders in nieuwbouwwoningen en renovatieprojecten dus ook voor huurwoningen.
    Bij het afsluiten van een nieuw huurcontract na 1 januari 2013 zal de woning uitgerust moeten zijn met een optische rookmelder.
    De onderliggende overweging hierbij is dat iedereen die inkomsten via de verhuur van woongelegenheden wil genereren, minstens de brandveiligheid van de huurder moet kunnen waarborgen.

    Fasering bij sociale en private huurwoningen

    De nieuwe regeling bevat voor sociale huurwoningen en private huurwoningen een tijdpad met de termijn waarbinnen huurwoningen van een welbepaald bouwjaar met rookmelders moeten worden uitgerust.
    De termijn hangt af van de ouderdom van het pand. Voor sociale huurwoningen geldt bovendien een andere tijdspanne.
    Voor de lopende huurcontracten is er een gefaseerde overgang voorzien:
    In de sociale huurwoningen moet de optische rookmelder geplaatst worden:

    - voor 1 januari 2014 indien de woning gebouwd is voor 1950
    - voor 1 januari 2015 indien de woning gebouwd is vanaf 1950 en voor 1970
    - voor 1 januari 2016 indien de woning gebouwd is vanaf 1970 en voor 1980
    - voor 1 januari 2017 indien de woning gebouwd is vanaf 1980

    In de private huurwoningen die als hoofdverblijfplaats verhuurd worden, moeten de optische rookmelders geplaatst worden:
    - voor 1 januari 2016 indien de woning gebouwd is voor 1945
    - voor 1 januari 2019 indien de woning gebouwd is vanaf 1945

    Aldus hebben de eigenaars van huurwoningen die gebouwd werden na 1945, en verhuurd worden als hoofdverblijfplaats, nog  tijd tot 1 januari 2019 om deze private huur woning uit te rusten met rookmelders

    Realistische termijn

    Vlaams parlementslid Veerle Heeren (CD&V), de drijvende kracht achter het nieuwe decreet, benadrukt dat er gezocht is naar een realistisch tijdspad.
    Omdat er in het verleden kritiek kwam dat wetgeving te snel van kracht werd, is er nu geprobeerd een haalbare termijn vast te leggen.
    Alle huurwoningen in één jaar tijd verplicht uitrusten met rookmelders zou een onmogelijke opdracht zijn op administratief en budgettair vlak.
    Bovendien stellen de grootste problemen zich bij de oudste woningen, zodat de regeling in de eerste plaats ook deze oude woningen dient te viseren.

    1 rookmelder per bouwlaag

    Om aan de rookmeldersverplichtingen te voldoen moet de zelfstandige woning (eengezinswoning, appartement of studio) of kamerwoning op elke bouwlaag uitgerust zijn met minstens één rookmelder. In kamerwoningen moet bovendien elke kamer én elke gemeenschappelijke kookruimte uitgerust zijn met een rookmelder.

    Kwaliteitslabel

    De rookmelder wordt in het decreet als volgt gedefinieerd: “een apparaat conform NBN EN 14604 dat reageert op rookontwikkeling bij brand door het produceren van een scherp geluidssignaal, en dat niet van het ionische type is”.
    De rookmelders moeten bijgevolg aan dat kwaliteitslabel voldoen. Deze norm betreft een Belgische norm, die op zijn beurt een omzetting is van de van toepassing zijnde Europese norm. De grondslag voor de Belgische norm is te vinden in de Europese geharmoniseerde norm CE EN 14604, die op 1 mei 2005 in werking getreden is.

    Sanctie bij niet-nakoming van de verplichting

    In het kader van de administratieve procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring (artikel 15 van de Vlaamse Wooncode) zal de woningcontroleur enkel een opmerking maken op het technisch verslag van het onderzoek van de woningkwaliteit. Het ontbreken van (voldoende) rookmelders wordt dus niet gequoteerd en zal bijgevolg op zich niet leiden tot een ongeschikt- en/of onbewoonbaarheidsbesluit.
    Maar als een woning niet voldoet aan de rookmeldersverplichtingen, dan wordt ze in de regel als “niet-conform” beschouwd. Als de verhuurder voor zo’n woning een conformiteitsattest aanvraagt, zal hem dat worden geweigerd. Bovendien riskeert men dan de sancties die vermeld zijn in Titel III, Hoofdstuk V, van de Vlaamse Wooncode (nl. verplichting om werken uit te voeren of indien nodig te herbestemmen of te slopen en strafrechtelijke handhaving).

  • 20
    nov.
    Lastenboeken : tips voor formuleringen m.b.t. verzekeringen 

    Regelmatig worden we gevraagd om de rubriek “verzekeringen” na te kijken in lastenboeken.  Daarbij stellen we vast dat de teksten niet altijd zorgvuldig zijn opgemaakt, dat er onvoldoende of soms zelfs verkeerde waarborgen worden geëist (bijvoorbeeld een polis ABR louter voor afbraakwerken, wat niet mogelijk is) en dat de inhoud van verschillende polissen door elkaar wordt gehaald. 

    Nochtans is het belangrijk dat aandacht wordt besteed aan het correct formuleren van de gewenste waarborgen in polissen, niet alleen ter bescherming van uw opdrachtgever, maar ook voor uw eigen bescherming.  De architect is de enige partij die wettelijk verplicht is om zijn of haar burgerlijke aansprakelijkheid te verzekeren.  Als u ervoor zorgt dat de lastenboeken ook aan andere partijen een verplichting opleggen om zich te verzekeren, dan vermindert u het risico om als enige verzekerde partij op te draaien voor de schade.  Bovendien wordt soms een korting voorzien in bepaalde polissen beroepsaansprakelijkheid indien het bewijs kan geleverd worden dat er  andere polissen zijn afgesloten die voldoen aan een aantal voorwaarden.

    Wij hebben voorbeeldteksten voor lastenboeken ter beschikking, die op eenvoudige aanvraag kunnen bekomen worden.  Deze teksten kunnen gebruikt worden als leidraad, maar moeten aangepast worden naargelang de opdracht en de ermee verbonden behoeften inzake verzekeringswaarborgen. 

    Algemene bepalingen.

    Aan alle aannemers en onderaannemers die toegang hebben tot de werf moet opgelegd worden dat zij tijdens de volledige duur van de werken het bewijs moeten kunnen voorleggen dat zij een polis arbeidsongevallen voor hun personeel hebben afgesloten, een polis BA-motorrijtuigen voor alle voertuigen die zij op en rond de werf gebruiken, en een polis BA-uitbating waarin de activiteiten die zij op de werf uitvoeren verzekerd worden. 

    De waarborgen van de polissen arbeidsongevallen en BA-motorrijtuigen zijn wettelijk bepaald.  Een polis BA-uitbating is niet wettelijk verplicht en de te voorziene waarborgen worden dus best gedetailleerd omschreven.  Deze polis verleent dekking voor de buitencontractuele aansprakelijkheid van de aannemer voor schade die hij veroorzaakt aan derden door uitvoering van de verzekerde activiteiten.  Zowel stoffelijke, onstoffelijke als lichamelijke schade  wordt daarin vergoed.  Voor aannemers bouwwerken dienen, naast de klassieke basisdekkingen, minimaal voorzien te worden : BA na uitvoering van werken; schade veroorzaakt door brand, vuur, rook, ontploffing; schade door milieuaantasting; door burenhinder; door trillingen, verlaging van grondwater, wegnemen of verzwakken van steunen; schade aan leidingen, kabels, kanalisaties, al dan niet ondergronds, evenals de gevolgen van deze schade; schade door het gebruik van werfvoertuigen; schade door afbraakwerken; schade aan toevertrouwde goederen; …

    Schade op grond van art. 544 BW – abnormale burenhinder.

    Dit artikel in het burgerlijk wetboek voorziet dat de bouwheer aansprakelijk is voor foutloze burenhinder.  Indien de buur schade lijdt door uitvoering van werken en deze schade is niet toe te schrijven aan de fout in hoofde van één van de betrokken partijen, dan zal de bouwheer deze schade moeten vergoeden. 

    Het is mogelijk om deze aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk (d.w.z. tot een bepaald bedrag) contractueel over te dragen aan de aannemer.  Indien het aannemingscontract deze contractuele overdracht voorziet, zal de aannemer de waarborg in zijn polis BA hiervoor moeten uitbreiden. 

    Vrijstellingen en niet- of onvoldoende gedekte schadegevallen.

    Om discussies te vermijden ingeval deze situatie zich voordoet, kan best uitdrukkelijk voorzien worden dat vrijstellingen en niet- of onvoldoende gedekte schadegevallen ten laste blijven van de aannemer wiens aansprakelijkheid betrokken is.  Ingeval de aansprakelijkheid niet kan bepaald worden, kan voorzien worden dat de kosten ten laste zijn van de aannemers prorata hun tussenkomst in de waarde van de werken.

    Polis Alle Bouwplaatsrisico’s.

    Meestal zal de verplichting opgelegd worden aan de algemene aannemer of de ruwbouwaannemer om een verzekering ABR te onderschrijven.  Voor deze polis is het belangrijk dat alle betrokken partijen meeverzekerd worden, dus niet alleen de aannemers en onderaannemers, maar ook de bouwheer, de architect en de verschillende studiebureau’s.  De volledige waarde van de werken moet verzekerd worden, inclusief de erelonen van de ontwerpers en inclusief de niet-recupereerbare BTW. 

    Om een volwaardige dekking te hebben, moeten volgende waarborgen steeds opgelegd worden :

    Afdeling I van de ABR-polis dekt de beschadiging en het verlies van de werken.  Daarin moet een uitbreiding gevraagd worden voor schade te wijten aan concept-, reken- of tekenfouten, of eigen gebrek van de materialen.  Ingeval de werken een verbouwing omvatten, of een nieuwbouw aanpalend aan of in de nabijheid van een gebouw eveneens eigendom van de bouwheer, dient een uitbreiding voorzien te worden voor schade aan het “bestaand goed”.   

    Afdeling II waarborgt de aansprakelijkheid van verzekerden tegenover derden voor schade veroorzaakt door uitvoering van de werken.  Deze afdeling komt maar tussen in 2e rang, dit is na uitputting van de waarborgen voorzien in de polissen BA van de betrokken partijen.  Onder deze rubriek dient een uitbreiding voorzien te worden voor art. 544 BW (abnormale burenhinder), voor schade veroorzaakt door trillingen, verlaging grondwater, wegnemen of verzwakken van steunen, en voor gevolgen van beschadiging van kabels en leidingen.

    De minimaal te verzekeren bedragen en de maximale vrijstellingen dienen bepaald te worden in functie van de aard en omvang van de werken, de ligging, de afstand tot de buren, het type funderingen, … 

    De polis moet ingaan op het ogenblik dat de eerste materialen op de werf worden geleverd of de eerste werken een aanvang nemen.   Na de bouwperiode is het gebruikelijk om nog een onderhoudsperiode te waarborgen van 1 jaar voor de schade die zich manifesteert na de oplevering maar die veroorzaakt is op de bouwplaats tijdens de bouwperiode en voor schade die wordt veroorzaakt door werken die nog moeten uitgevoerd worden na de voorlopige oplevering.     

    Polis 10-jarige aansprakelijkheid.

    Minder frequent dan de polis ABR wordt de verplichting opgelegd om een polis tienjarige aansprakelijkheid of een controleverzekering af te sluiten.  Indien de verplichting wordt opgelegd, moet de aannemer erop gewezen worden dat deze polis moet afgesloten worden vooraleer de werken een aanvang nemen, omdat er een technische controle zal uitgevoerd worden op de plannen, de studies en de uitvoering van de werken.  Afhankelijk van de aard en de omvang van de werken zijn deze controles meer of minder uitgebreid, worden deze door de verzekeraar zelf gedaan of extern uitgevoerd door een controlebureau erkend door de verzekeringsmaatschappij.  De kostprijs van deze controle is ten laste van de aannemer.  

    Verzekerden in deze polis zijn alle partijen die de 10-jarige aansprakelijkheid dragen, dus alle aannemers en ontwerpers. 

    De basiswaarborg verzekert de materiële schade aan de gecontroleerde delen die valt onder de tienjarige aansprakelijkheid zoals bedoeld in art. 1792 en 2270 BW, dus beschadigingen die de stevigheid van het gebouw of een deel ervan in het gedrang brengen. 

    Als bijkomende waarborgen worden voorzien : beschadiging aan de niet-gecontroleerde delen, buitencontractuele aansprakelijkheid tov derden, immateriële gevolgschade en schade op grond van art. 544 BW.

    Het correct en duidelijk formuleren van de gewenste waarborgen in de lastenboeken is aldus zeker aan te raden. Het ontbreken van dergelijke duidelijke contractuele verplichtingen, kan dikwijls tot moeilijkheden leiden.

    Indien u in de praktijk zelf geconfronteerd wordt met deze problematiek en u advies van ons wenselijk acht, kan u steeds bij ons terecht op advies@idesramboer.be.         

  • 01
    sep.
    Verhoging van de gewaarborgde kapitalen, een aanrader bij grote projecten 

    De schade die door de architect wordt veroorzaakt naar aanleiding van een fout tijdens de uitoefening van zijn beroep kan zeer hoog oplopen. Immers beperkt de schade zich veelal niet tot louter materiële schade, maar gaat de schade gepaard met immateriële gevolgschade (bv. genotsderving) en lichamelijke schade. De tussenkomst van de verzekeringsmaatschappij van uw polis beroepsaansprakelijkheid in vergoeding van de veroorzaakte schade is beperkt tot ‘de gewaarborgde kapitalen’.  Het gewaarborgd of verzekerd kapitaal bepaalt aldus de limiet van het schadebedrag dat door de verzekeringsmaatschappij zal worden vergoed. Naarmate de opdrachten van de architect omvangrijker en bijgevolg ook de risico’s zullen toenemen, is het aangewezen om ook de verzekerde kapitalen te verhogen.

    Volgens de (wettelijke) minimumcriteria vastgelegd in het uitvoeringsbesluit van de wet Laruelle (KB 25/04/2007) bedragen de gewaarborgde kapitalen € 1.500.000 voor lichamelijke schade, € 500.000 voor materiële/immateriële schade en € 10.000 voor toevertrouwde voorwerpen. Deze gewaarborgde kapitalen volstaan voor startende architecten en architecten die hoofdzakelijk actief zijn in woningbouw.

    Grote projecten

    Wanneer de architect zijn carrière uitbouwt worden de projecten veelal omvangrijker en complexer: meergezinswoningen, industriële en handelsgebouwen, ingewikkelde constructies… Het spreekt voor zich dat ook de risico’s hieraan verbonden groter worden. Echter, indien de verzekerde kapitalen niet worden verhoogd, zullen deze niet meer in verhouding zijn met de huidige potentiële risico’s. Om te vermijden dat de verzekeraar slechts tussenkomt voor het ‘beperkte’ gewaarborgd kapitaal en de architect een (groot) deel van de schade zelf dient te bekostigen, is het aangewezen de gewaarborgde kapitalen te verhogen.

    Een voorbeeld ter verduidelijking:

    Een architect wordt belast met het oprichten van een industriële loods met staalstructuur en plat dak. In deze nieuwe loods zullen er grondstoffen en afgewerkte producten worden gestockeerd. Voor deze grote werken werd tevens beroep gedaan op een hoofdaannemer en onderaannemer staalconstructie en studiebureau stabiliteit. Enkele jaren na de oplevering bezwijkt de dakconstructie van de opgerichte loods tijdens een zwaar onweer. De loods is totaal verwoest en ook de goederen die in de loods waren opgeslagen zijn zwaar beschadigd. Het komt tot een gerechtelijke procedure waarbij uiteindelijk een gerechtsexpert wordt aangesteld die tot het besluit komt dat de oorzaak van het instorten van de loods te wijten is aan het ondergedimensioneerd zijn van het regenafvoersysteem met inbegrip van de noodoverlopen. De architect wordt voor 80% aansprakelijk gesteld wegens een conceptfout. De hoofdaannemer, die het probleem had moeten opmerken tijdens de uitvoering van de werken, wordt voor 20% aansprakelijk gesteld. De totale schade is enorm: € 1.200.000. De afbraak- en opruimingswerken en heropbouw van de loods werden begroot op € 400.000 de waarde van de beschadigde gestockeerde goederen in de loods betrof  € 500.000 en de economische schade tengevolge van het stilliggen van het bedrijf (immateriële gevolgschade) bedroeg € 300.000. De architect die voor 80% aansprakelijk werd gesteld voor de totale schade diende een bedrag van € 960.000 te betalen. De verzekeraar kwam tussen voor een bedrag van € 500.000, zijnde het ‘klassieke’ gewaarborgd kapitaal materiële/immateriële schade. Het resterende bedrag van € 460.000 bleef ten laste van de architect die dit bedrag uit eigen zak diende te betalen.

    Het monster van de in solidum veroordeling

    De architect is in een aantal gevallen niet alleen aansprakelijk voor zijn eigen daden maar ook voor die van de aannemer ingeval van een veroordeling in solidum. Bij een veroordeling in solidum met de aannemer kan de architect aansprakelijk worden gesteld voor de totale schade, niettegenstaande zijn technische aansprakelijkheid beperkt is en zonder dat hij over een mogelijkheid van verhaal op de aannemer beschikt wegens het faillissement van deze laatste. Een veroordeling in solidum kan het desastreuse gevolg teweegbrengen dat, gelet op het feit dat de architect wordt aangesproken voor de totale vergoeding van de schade, het gewaarborgd kapitaal onvoldoende is ter vergoeding van de totale schade.

    Een voorbeeld uit de praktijk:

    De architect wordt door een promotor belast met de realisatie van verschillende gekoppelde ééngezinswoningen. Kort na de ingebruikname van de verschillende woningen klagen de bewoners van geluidshinder waarop de bewoners overgaan tot dagvaarding van de promotor die op zijn beurt de architect in de gerechtsprocedure betrekt. Om de omvang van de hinder na te gaan en de oorzaken te achterhalen stelt de rechtbank een gerechtsexpert aan. Vervolgens worden er metingen uitgevoerd waarbij de expert vaststelt dat de geluidsisolatie tussen de verschillende woningen en ruimtes te wensen overlaat. De oorzaken van de geluidshinder zijn te wijten aan het feit dat de betonnen vloerplaten tussen de verschillende woningen ononderbroken doorlopen. Door deze verbinding wordt het geluid van de ene woning naar de andere doorgegeven met de gekende geluidsproblemen tot gevolg. Ook hebben de scheidende wanden van de verschillende woningen geen akoestische isolatie. De gerechtsexpert is van oordeel dat de verschillende gebreken hoofdzakelijk het gevolg zijn van wijzigingen aan het concept en uitvoeringsmethodes op initiatief van de promotor. De architect had in zijn plannen de nodige maatregelen getroffen om aan de gangbare akoestische normen te voldoen. In casu beging de promotor ontegensprekelijk een fout met schade als gevolg. De expert is echter ook van mening dat de architect niet volledig vrijuit gaat. Immers diende de architect de nodige opmerkingen te maken met betrekking tot de wijzigingen die de promotor doorvoerde. Bij zijn controle had de architect dit kunnen en moeten opmerken. De rechtbank oordeelde dat de promotor voor 90% aansprakelijk is voor de schade en de architect voor 10%. De bouwtechnische aanpassingen aan de woningen (materiële schade) werden begroot op € 600.000 en de genotsderving (immateriële schade) werd begroot op € 50.000. Gelet op de aansprakelijkheidsverdeelsleutel dient (de verzekeraar van de) de architect € 65.000 te betalen. Echter worden de architect en diens verzekeraar geconfronteerd met een ‘worst-case scenario’: de promotor is in faling gegaan. Na de faling van de promotor volgt een in solidum uitspraak. Hierdoor richten de schadelijders zich voor 100% van de schade naar de architect en diens verzekeraar. De verzekeraar kwam tussen voor een bedrag van € 500.000, zijnde het ‘klassieke’ gewaarborgd kapitaal materiële/immateriële schade. De architect diende het resterende bedrag van € 150.000 zelf op te hoesten.

    Deze twee praktijkvoorbeelden tonen aan dat de ‘klassieke’ gewaarborgde kapitalen ruimschoots onvoldoende waren. Een verhoging van de gewaarborgde kapitalen had de architect in kwestie kunnen sparen van een financiële kater. Het is dan ook aangewezen om even stil te staan bij dit gegeven en op geregelde tijdstippen in uw loopbaan te onderzoeken of de gewaarborgde kapitalen van uw polis niet moeten worden verhoogd.

  • 01
    sep.
    Fiscale tips en topics ivm. opbouwen pensioenkapitaal 

    Zal u dezelfde levensstandaard kunnen aanhouden na uw pensioen met slechts 935 euro ?  Dat is namelijk het gemiddelde pensioen voor een loontrekkende in 2012 (voor een zelfstandige is dat 531 euro). Hoog tijd dus om te beginnen sparen als u een mooi pensioen wil. Iedereen  kan een aanvullend pensioen opbouwen via pensioensparen en lange termijnsparen. Elke zelfstandige kan aanvullend nog een VAPZ afsluiten. De vennootschap kan daarboven nog een IPT afsluiten voor de zelfstandige zaakvoerder.

    Pensioensparen

    Elke persoon tussen 18 en 64 jaar kan aan pensioensparen doen.  Voor dit jaar is het maximumbedrag 910 euro. Daarvan kan u volgend jaar 30 % of 273 euro recuperen via de belastingafrekening. Er wordt geen premietaks toegepast. Voor wat, hoort echter wat. Zodra u fiscaal voordel hebt benut, zal u belastingen moeten betalen op het pensioenkapitaal dat u dankzij die inspanningen en de fiscale steun hebt opgebouwd. Die belasting zal u betalen op uw 60ste verjaardag. Terwijl u uw kapitaal pas opneemt op uw 65ste. Vandaar ook de naam ‘anticipatieve taks’. Deze heffing bedraagt 10 % voor storingen sinds 1993 en 16,5 % voor stortingen voor 1993. De anticipatieve heffing werkt bevrijdend, u hoeft het ontvangen kapitaal niet aan te geven op de belastingfiche. Van zodra die gepasseerd is, zijn de verdere stortingen belastingvrij maar kan je wel nog enkele jaren genieten van het fiscale voordeel. Je hebt er dus alle belang bij om door te sparen tot en met je 64ste.

    Wordt het contract onderschreven na 55 jaar, dan is de anticipatieve taks niet van toepassing maar is er na 10 jaar een belasting van 10%.
    De gewaarborgde intrestvoet bedraagt momenteel 2,50 %. Daarnaast is er nog een mogelijke winstdeling. Deze winstdeling is belastingvrij.

    Lange termijnsparen

    Ideaal als u geen woonkrediet hebt of uw woonkrediet is afbetaald. Langetermijnsparen vult de vrijgekomen fiscale ruimte op, zo bent u zeker dat u maximaal fiscaal voordeel doet of blijft doen.  Voor dit jaar is het maximumbedrag 2.200 euro. Voor deze contracten is er een premietaks van 1,1 %. Daarvan kan u volgend jaar 30 % of 660 euro recuperen via de belastingafrekening.

    De taxatie van het gespaarde kapitaal is gelijk aan het pensioensparen.

    VAPZ

    Elke zelfstandige kan naast het pensioensparen en lange termijnsparen nog een Vrij Aanvullend Pensioen Zelfstandigen afsluiten. Het VAPZ is de meest fiscaalvriendelijke vorm van pensioenopbouw. De premies zijn niet alleen 100% fiscaal aftrekbaar, maar leveren ook een besparing op uw sociale bijdragen tot 20%. Dankzij die twee fiscale voordelen recupereert u gemiddeld 60% van uw VAPZ-bijdragen! U bepaalt zelf het bedrag van uw stortingen tussen 1 en 8,17% van uw referentie-inkomen met een maximum van 2.962,88 euro. Er is geen premietaks.  

    Hoe wordt mijn kapitaal belast bij uitkering? Vooreerst is er een RIZIV-bijdrage van 3,55 % op het kapitaal en de winstdeelname. De winstdeelname wordt verder niet meer belast. Uw eindkapitaal wordt belast onder het zeer gunstige systeem van de fictieve rente.

    IPT

    Met een IPT gaat het om een Individuele PensioenToezegging op maat van de zelfstandige bedrijfsleider. De premies worden betaald door de vennootschap en op zijn pensioenleeftijd wordt het kapitaal rechtstreeks uitbetaald aan de bedrijfsleider. Het contract is op elk ogenblik het persoonlijk eigendom van de bedrijfsleider en er is geen enkel probleem bij liquidatie onderneming of vervoegde stopzetting van de activiteit of faling. De pensioenopbouw via IPT is echter niet onbeperkt, maar dient te beantwoorden aan de 80 % regel. Dwz dat het wettelijke pensioen en het aanvullende bedrijfspensioen samen niet hoger mogen liggen dan 80% van de laatste brutobezoldiging van de begunstigde tijdens diens actieve loopbaan. Indien het bedrijf deze regel niet toepast, dan vervalt de aftrekbaarheid van de premies. Er is een premietaks van toepassing van 4,4 %.

    Er is een gunstige eindbelasting van 10 % indien het pensioenkapitaal wordt uitgekeerd vanaf de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar) en de verzekerde/begunstigde effectief actief is gebleven tot aan die wettelijke pensioenleeftijd.

    Externalisering van interne pensioenbeloftes

    Een interne pensioenbelofte ten voordele van een zelfstandige bedrijfsleider verbindt de vennootschap zich ertoe om aan deze bedrijfsleider (of zijn nabestaanden bij overlijden) een bepaald aanvullend pensioenkapitaal uit te keren.  Deze interne pensioenbelofte kon worden gefinancierd via een interne provisie of een bedrijfsleidersverzekering.

    1) Financiering interne pensioenbelofte via een interne provisie:
    De vennootschap legt een interne pensioenvoorziening aan op de passiefzijde van de balans. De interne pensioenbelofte voorziet dan dat een bepaald kapitaal zal uitbetaald worden aan de bedrijfsleider bij pensionering (of aan zijn nabestaanden bij overlijden).

    2) Financiering interne pensioenbelofte via een bedrijfsleidersverzekering:
    De vennootschap onderschrijft een bedrijfsleidersverzekering waarbij de verzekerde de bedrijfsleider is en de vennootschap de begunstigde is. De hieraan gekoppelde interne pensioenbelofte voorziet dan dat dit geld zal toekomen aan de bedrijfsleider (of aan zijn nabestaanden bij overlijden). 

    De bestaande interne provisies worden “bevroren”. Het bedrag van de interne provisie zoals het op dat ogenblik verschijnt op de balans, kan vanaf dan niet meer toenemen (ook niet door oprenting van dat bedrag).  Daartegen kunnen de bestaande interne individuele pensioentoezeggingen, die door een bedrijfsleiderverzkering worden gefinancierd en zijn afgesloten voor 01/07/2012, blijven bestaan. Er kunnen op deze verzekeringen zelfs nog verdere premies worden gestort. Momenteel kunnen geen nieuwe bedrijfsleiderverzekeringen worden afgesloten. De bestaande bedrijfsleidersverzekeringen kunnen worden omgevormd in een IPT. Deze operatie is fiscaal neutraal.

    De programmawet van 22 juni 2012 vestigt een afzonderlijke aanslag van 1,75% op de bestaande interne pensioenprovisies, ongeacht een eventuele externalisatie.  Deze aanslag kan eventueel over drie jaar worden gespreid, telkens aan  0,6%. Men zal dus in elk geval deze afzonderlijke aanslag dienen te betalen op de provisies bestaand op het einde van het laatste boekjaar met afsluitdatum vóór 1 januari 2012. Dit zal in de regel gebeuren via de vennootschapsbelasting en maakt bovendien een verworpen uitgave uit.
    De reeds aangelegde provisies kunnen worden overgedragn naar een IPT. In dit geval blijven de gestorte premies die hiermee overeenstemmen vrijgesteld van de verzekeringstaks van 4,4 %.

  • 01
    sep.
    Registratie als aannemer sedert 1 september definitief afgeschaft 

    Het principe van de definitieve afschaffing van de registratie van aannemers stond al enige tijd vast. Sedert 1 september 2012 is dit ook een feit. De regelgeving en procedure tot registratie behoort definitief tot de verleden tijd.

    Registratie als kwaliteitslabel

    De registratieprocedure van aannemers kwam tot stand in 1978  met als doel fraude, koppelbazen en zwartwerk in de bouwsector te bestrijden. Elke onderneming die in België bouw- of verbouwingswerken verrichtte, moest een registratie als aannemer aanvragen bij de provinciale registratiecommissie van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze registratie betekende onder andere dat de aannemer in regel was met zijn fiscale en sociale verplichtingen. Opdrachtgevers en hoofdaannemers die beroep deden op een niet-geregistreerde aannemer, werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor diens sociale en fiscale schulden. Bovendien moesten zij, indien zij een beroep wensten te doen op een niet-geregistreerde aannemer, verplicht inhoudingen doen op het verschuldigde bedrag en deze doorstorten aan de RSZ en de fiscus. Het registratiesysteem fungeerde aldus als een soort ‘kwaliteitslabel’ dat de opdrachtgever hielp in zijn zoektocht naar een betrouwbare aannemer. Bovendien werd aan het registratiesysteem een aantal fiscale voordelen verbonden voor de opdrachtgever zoals een verlaagd btw-tarief (6%) en tal van belastingsvoordelen.

    Europese druk

    Echter kwam de Belgische registratieprocedure onder druk te staan van Europa. Zo oordeelde het Hof van Justitie in haar arrest van 9 november 2006 dat de Belgische registratieregeling een belemmering vormde voor het vrije verkeer van diensten. De voorafgaande registratie betekende immers een hoge toegangsdrempel voor buitenlandse bouwondernemingen die in België actief waren. In navolging van dit arrest besliste de Belgische overheid dat de hoofdelijke aansprakelijkheid en de inhoudingsplicht niet langer afhankelijk zouden worden gemaakt van het al dan niet geregistreerd zijn van de aannemer waarop een beroep wordt gedaan. Het kiezen voor een geregistreerde aannemer leek aldus nog weinig nut te hebben. Toch verdween de mogelijkheid om zich te laten registreren als aannemer niet. De toekenning van bepaalde toelagen en premies, zoals de groene lening, de Vlaamse dakisolatiepremie, de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven en tal van andere, werd veelal afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de werken werden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer.

    Afschaffing registratiesysteem

    Op 2 juli 2012 is het KB verschenen dat alle verwijzingen naar de registratie als aannemer, om te kunnen genieten van een belastingvermindering, schrapt. Concreet betekende dit dat het geregistreerd zijn van de aannemer niet meer werd verbonden aan belastingsvoordelen voor de opdrachtgever. De afschaffing van de registratievoorwaarde werd met terugwerkende kracht ingevoerd vanaf 1 januari 2011. Alle werken die werden uitgevoerd door een geregistreerd aannemer en hierdoor ook in aanmerkingkwamen voor fiscale voordelen, mochten vanaf 1 januari 2011 uitgevoerd worden door alle aannemers, met of zonder registratienummer, zonder dat hun klanten hun belastingvoordeel in het gedrang zullen zien komen. Hierdoor heeft de registratie als aannemer geen enkel nut meer, noch voor de klanten in het algemeen, noch in de bouwsector in het bijzonder. Bij KB van 3 augustus 2012 (Belgisch Staatsblad van 10 augustus 2012) werd met ingang van 1 september 2012 ook de provinciale registratiecommissies opgeheven. Sedert 1 september 2012 is het dus ook niet meer mogelijk een registratieaanvraag in te dienen. De procedure tot registratieaanvraag werd aldus volledig opgeheven. De registratie als aannemer houdt hierdoor definitief op te bestaan.

    Huidige regeling

    Sinds de afschaffing van de registratieprocedure voor aannemers zijn ook de hieraan verbonden regels betreffende de inhoudingsplicht en hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale en fiscale schulden gewijzigd. Wie thans een overeenkomst afsluit met een aannemer moet nagaan of die aannemer sociale en fiscale schulden heeft. Is dit het geval dan is de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van die schulden.  Indien de aannemer schulden heeft op het ogenblik van de betaling van de factuur, dan is er een inhoudingsplicht en moet het bedrag dat ingehouden werd, doorgestort worden naar de RSZ/fiscus. De inhoudingen dienen immers om de sociale en fiscale schulden te betalen. Of de aannemer al dan niet sociale en fiscale schulden heeft kan eenvoudig online worden nagegaan. Op sociaal vlak kan de gegevensbank worden geraadpleegd via de portaalsite van de sociale zekerheid: www.socialsecurity.be. De fiscale database kan geraadpleegd worden op www.minfin.fgov.be. Aldus wordt getracht het ‘kwaliteitslabel’ te behouden door een voorafgaande controle naar mogelijke sociale en fiscale schulden van de aannemer. De opdrachtgever dient aldus zijn huiswerk te doen.

    Belangrijk te vermelden is dat deze reglementering niet van toepassing is op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die werken voor uitsluitend privé-doeleinden laat uitvoeren. Deze reglementering is wel van toepassing op een opdrachtgever-natuurlijke persoon welke werken laat uitvoeren voor professionele doeleinden: de bakker die werken laat uitvoeren aan zijn bakkerij, de dokter die in zijn praktijk elektriciteitswerken laat uitvoeren, een patrimoniumvennootschap die werken laat uitvoeren aan appartementen die worden verhuurd, ...

  • 02
    jul.
    Hoe reageren bij schade ?  

    Wanneer u als verzekerde geconfronteerd wordt met een schadegeval zijn de verplichtingen tweeërlei : u moet alle redelijke maatregelen nemen om de gevolgen van het schadegeval te voorkomen en te beperken en u moet het schadegeval zo spoedig mogelijk melden aan de verzekeraar.  Doet u dit niet, dan kan de maatschappij haar tussenkomst weigeren of beperken indien ze kan aantonen dat ze door uw nalaten nadeel heeft geleden.  Probeer dus nooit het schadegeval op eigen houtje op te lossen.  In polissen burgerlijke aansprakelijkheid heeft de maatschappij steeds de leiding in een geschil.  Het is de maatschappij die oordeelt of er al dan niet mag deelgenomen worden aan een expertise, of er bijstand van een expert of een advocaat nodig is.  De maatschappij zal u ook altijd adviseren welke houding best aangenomen wordt en wat u wel of niet mag antwoorden of doen.

    Wij kunnen u dus alleen maar aanraden om ons kantoor te contacteren van zodra u betrokken wordt of vreest betrokken te worden in een schadegeval.  Wij zullen de maatschappij hiervan op de hoogte brengen en zullen u vragen ons de problematiek te schetsen, de situatie en betrokken partijen te verduidelijken, uw standpunt mee te delen en relevantie briefwisseling te bezorgen.  Bij voorkeur vult u hiervoor het schade-aangifteformulier in opgemaakt door uw verzekeringsmaatschappij.

    Wanneer moet u zonder aarzelen aangifte doen ? 

    • U ontvangt een schriftelijke ingebrekestelling vanwege de opdrachtgever, zijn advocaat of een expert.
    • Bij ontvangst van een dagvaarding.
    • U wordt uitgenodigd om aanwezig te zijn op een expertisebijeenkomst.
    • U wordt gevraagd om vrijwillig tussen te komen in een lopende gerechtsexpertise en/of gerechtelijke procedure.
    • Indien u wordt gevraagd om deel te nemen aan een geschillenregeling via de verzoeningscommissie, dient u zeker voor de ondertekening van het bevoegdheidsbeding contact te nemen met uw verzekeraar.
    • Uw bouwheer vraagt om deel te nemen aan een minnelijke expertise.

    In deze gevallen is snel handelen belangrijk.  Indien nodig moet de maatschappij immers tijdig een advocaat of een expert kunnen aanstellen om u bij te staan en uw belangen te verdedigen. 

    Wanneer neemt u ook best contact met uw verzekeraar ?

    Ook wanneer de situatie minder duidelijk is en u geen ingebrekestelling, schriftelijke schade-eis, dagvaarding of vraag tot deelname aan een expertise ontvangt, is het aangewezen om contact op te nemen in volgende gevallen :

    • Bij ernstige werfongevallen of ernstige schadegevallen op een werf.
    • Wanneer er op een werf problemen zijn met een aannemer die niet opgelost geraken.Zelfs wanneer de situatie zich niet onmiddellijk tegen u lijkt te keren, kan het belangrijk zijn om bepaalde zaken al of niet te doen, bepaalde zaken al of niet te schrijven.
    • Als de bouwheer u vraagt om een bouwschade te komen vaststellen en oplossingen voor te stellen.
    • Wanneer u de vraag krijgt om de bouwheer bij te staan als technisch raadsman in een expertise waarin u geen betrokken partij bent.

    Laat u ook in deze situaties adviseren door de maatschappij, zodat er later, wanneer de situatie alsnog zou escaleren in uw nadeel, geen discussie kan ontstaan over hetgeen u gezegd, gedaan of nagelaten hebt.

    Het is uiteraard niet de bedoeling dat wij gecontacteerd worden omtrent elke bouwdiscussie die zich op een werf voordoet, maar verwittig ons ingeval de situatie escaleert, niet opgelost geraakt of ingeval u aanvoelt dat u misschien toch zal geviseerd of mee betrokken worden.

  • 02
    jul.
    Aandachtspunten bij het einde van uw loopbaan 

    Uw polis beroepsaansprakelijkheid dekt de financiële gevolgen van uw burgerlijke aansprakelijkheid voor schade aan derden veroorzaakt door de uitoefening van de verzekerde beroepsactiviteiten.  Deze polis kan onderschreven worden als “loopbaanpolis” of polis “enige werf”.  De polis “enige werf” voorziet waarborg tot 10 jaar na de oplevering van de verzekerde opdracht.  Uw “loopbaan”-polis verzekert uw volledige burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de tienjarige aansprakelijkheid zolang deze polis loopt.

    In een “loopbaan”-polis dient u dus bij beëindiging van uw activiteiten ervoor te zorgen dat de tienjarige aansprakelijkheid verder verzekerd wordt door het onderschrijven van de posterioriteitswaarborg.  Hiervoor wordt een éénmalige premie aangerekend bij aanvang van de posterioriteitswaarborg.  De berekening van deze premie verschilt van maatschappij tot maatschappij, maar steeds wordt gekeken naar de betaalde premies in de laatste jaren voor de stopzetting van uw activiteiten (bijvoorbeeld 4 keer het gemiddelde van de definitieve premies van de 3 laatste jaren, of 3 keer het gemiddelde van de definitieve premies van de 5 laatste jaren, ...). 

    U kan deze posterioriteitspremie prefinancieren bij de verzekeraar of u kan fiscaal voorzieningen hiervoor aanleggen.  De opportuniteit hiervan kan u best met uw boekhouder bekijken.

    Wanneer kan de polis omgevormd worden naar de waarborg posterioriteit ?

    Hier moet een onderscheid gemaakt worden tussen polissen voor architecten en polissen voor niet-architecten. 

    Polissen voor niet-architecten kunnen omgevormd worden naar posterioriteit vanaf het ogenblik dat de laatste opdracht wordt opgeleverd en de tienjarige aansprakelijkheid van verzekerde voor de laatste keer begint te lopen.  De maatschappij zal u vragen om de datum van uw laatste oplevering mee te delen.  De waarborg posterioriteit zal voorzien worden tot 10 jaar na deze datum.

    Polissen voor architecten kunnen maar omgevormd worden op het ogenblik dat de inschrijving van verzekerde wordt weggelaten van de tabel van de orde van architecten.  De wet Laruelle heeft immers een verzekeringsplicht opgelegd, met inbegrip van de tienjarige aansprakelijkheid, voor alle architecten ingeschreven op de tabel.  Zolang u ingeschreven bent op de tabel, mag u activiteiten als architect uitvoeren en moet u verzekerd blijven.  Bij weglating van de tabel moet de tienjarige aansprakelijkheid ingedekt worden.  Omvorming naar posterioriteit zal dan ook automatisch gebeuren op het ogenblik dat u de datum meedeelt aan de maatschappij waarop uw inschrijving van de tabel is weggelaten.  Dekking zal voorzien worden tot 10 jaar na deze datum van weglating van de tabel.

    Architecten die hun beroepsactiviteiten voor eigen rekening hebben stopgezet, maar ingeschreven blijven op de tabel omdat zij bijvoorbeeld actief blijven als vrij medewerker van een ander bureau, zullen geen posterioriteit kunnen onderschrijven.   Indien u zich in deze situatie bevindt, raden wij u aan om ons te contacteren, zodat wij een geschikte oplossing kunnen voorstellen.

  • 01
    jul.
    Samen uit, samen thuis 

    Een juiste omkadering van samenwerking tussen ontwerpers.

    Ontwerpers slaan steeds vaker de handen in elkaar en werken samen aan grote bouwprojecten. Dergelijke vormen van samenwerking brengen heel wat juridische en verzekeringstechnische implicaties met zich meer.

    Door de complexiteit van het bouwgebeuren is samenwerking tussen diverse gespecialiseerde ontwerpers een noodzaak geworden. Wanneer samengewerkt wordt op permanente basis, zullen de activiteiten meestal georganiseerd worden in een vennootschap en zal de polis beroepsaansprakelijkheid door deze vennootschap worden onderschreven voor indekking van alle activiteiten van betrokken  ontwerpers. 

    Bij tijdelijke of projectgebonden samenwerking zijn er verschillende situaties. De bouwheer kan met elk van de specialisten een afzonderlijk contract afsluiten.  De opdracht van elke partij zal duidelijk omschreven worden in elk contract en elke partij heeft eigen verplichtingen en aansprakelijkheden t.a.v. de bouwheer.  De werkzaamheden van alle partijen moeten wel gecoördineerd worden en hierin ligt een taak en verantwoordelijkheid van de architect.  In deze situatie volstaat het voor elke partij om zijn beroepsaansprakelijkheid te  verzekeren in eigen polis, eventueel met verhoogde verzekerde bedragen voor deze opdracht ingeval deze qua omvang of risico buiten de gebruikelijke activiteiten valt. 

    De bouwheer kan de volledige opdracht ook toevertrouwen aan 1 partij, de architect, waarbij de architect op zijn beurt bepaalde taken doorschuift naar een onderaannemer, bijvoorbeeld ingenieur-stabiliteit of ingenieur-technieken.  Tussen bouwheer en onderaannemer is er geen enkele contractuele band.   De architect blijft t.a.v. de bouwheer de volledige verantwoordelijkheid dragen.  Of en hoeveel de architect eventueel kan verhalen op zijn onderaannemer blijft zijn probleem.  De onderaannemingsovereenkomst zal een aantal clausules moeten voorzien ter bescherming van de architect.

    Ontwerpers kunnen ook gezamenlijk een overeenkomst aangaan met de opdrachtgever.  Deze samenwerking zal georganiseerd worden in een tijdelijke maatschap, waarbij afspraken worden vastgelegd inzake verdeling van de taken, verdeling van honoraria, bestuur, vertegenwoordiging naar derden, aansprakelijkheid, verzekering … 

    In deze 2 laatste situaties kan elk aangifte doen in eigen polis.  Ingeval van onderaanneming moet de hoofdcontractant wel zijn volledige opdracht aangeven in de polis, dus inclusief de taken die hij in onderaanneming doorschuift. Hij zal hiervoor als 1e aangesproken worden en moet dus kunnen rekenen op dekking in zijn polis.  Dit betekent echter niet dat de onderaannemer meeverzekerd wordt in de polis van de architect.  Ook de onderaannemer moet zijn opdracht verzekeren.

    Enige Werfpolis

    De dekking in de eigen abonnementspolis is steeds beperkt tot het eigen aandeel van verzekerde in de gemeenschappelijke opdracht.  Zeker bij hoofdelijke aansprakelijkheid is het dus aangewezen om een enige werfpolis te onderschrijven waarin alle betrokken ontwerpers en de volledige opdracht verzekerd worden in dezelfde polis.  Hiermee hebben de partners zekerheid dat hun collega’s verzekerd zijn en ook blijven tot beëindiging van hun 10-jarige aansprakelijkheid.  Deze polis is onopzegbaar door de verzekeraar.  De polis wordt op maat gemaakt, waarbij de verzekerde kapitalen en de vrijstelling worden gekozen i.f.v. de verzekerde opdracht.  Bijkomend voordeel is nog dat deze opdracht volledig buiten de eigen polis wordt gehouden en dus geen invloed kan hebben op schadestatistiek, posterioriteitspremie en eventuele uitputting van verzekerde kapitalen op jaarbasis.

    ABR en decennale verzekering

    Voor projecten in samenwerking met andere ontwerpers is het ook aangewezen om een polis Alle Bouwplaatsrisico’s en decennale- of controleverzekering te onderschrijven.  Dit zijn eveneens globale polissen waarbij alle betrokken partijen in één polis worden verzekerd, waardoor discussies en procedures vermeden worden.  De relatie tussen de bouwpartners wordt niet verstoord en de bouwheer krijgt een financiële zekerheid.  Indien deze  polissen voldoende waarborgen voorzien, kan u een belangrijke premiekorting bekomen in de polis beroepsaansprakelijkheid of enige werfpolis.  De polissen ABR en decennale worden naast elkaar afgesloten : de polis ABR verleent dekking gedurende de volledige bouwperiode en de polis decennaal begint pas te lopen vanaf de oplevering.  Beide moeten onderschreven worden voor aanvang van de werken.  De decennale polis gaat weliswaar pas in vanaf de oplevering, maar de verzekeraar of een controlebureau zal voor een tijdens de werken controles uitvoeren op de kwaliteit.