• 14
    jun.
    Bouwactor 3: de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid in de bouwsector voor de intellectuele dienstverleners (inwerkingtreding 1 juli 2019) 

    Voor wie geldt de verzekeringsplicht?

    Alle intellectuele beroepen in de bouwsector (architecten, landmeter-experten, veiligheidscoördinatoren, ingenieurs, studiebureaus en andere dienstverleners in de bouwsector).

    Vanaf het moment dat u als dienstverlener beroepsmatig aansprakelijk kan gesteld worden, bijvoorbeeld in het kader van een rapport of een advies, bent u onderworpen aan de verzekeringsplicht.

    Een aannemer (uitvoerder materiële werken) en bouwpromotor vallen niet onder de definitie van dienstverleners in de bouwsector.

    Valt eveneens niet onder de verzekeringsplicht : wanneer de activiteit wordt uitgeoefend als ambtenaar van de overheid.

    Wie zal verzekerd zijn in de polis?

    • alle dienstverleners in de bouwsector (natuurlijke persoon of rechtspersoon);
    • de aangestelden van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die als verzekerde vermeld worden in de polis, d.i. het personeel, de stagiairs, de leerlingen en andere medewerkers, m.a.w. allen die werken in naam van en voor rekening van de verzekerde;  --> niet diegenen die in hun onderaanneming werken
    • de bestuurders, zaakvoerders, leden van het directiecomité en alle andere organen van de rechtspersoon die belast zijn met het beheer of het bestuur van de rechtspersoon wanneer zij handelen voor rekening van de rechtspersoon onderworpen aan de verzekeringsplicht.

    Wat moet verzekerd worden?

    • de burgerlijke aansprakelijkheid van de verschillende dienstverleners in de bouwsector wegens de intellectuele prestaties die beroepshalve gesteld worden;
    • niet de tienjarige aansprakelijkheid bepaald door de artikelen 1792 en 2270 BW;
    • een wettelijke posterioriteit na stopzetting van de beroepsactiviteiten : de aansprakelijkheid voor vorderingen binnen de drie jaar nadat de activiteiten werden stopgezet.

    Welke minimumbedragen moeten verzekerd worden?

    De minimumbedragen die gedekt dienen te worden in deze verplichte verzekering zijn :

    1. a) 1.500.000 euro voor de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels (*)
    2. b) 500.000 euro voor het totaal van de materiële en immateriële schade (**)
    3. c) 10.000 euro voor de voorwerpen die aan de verzekerde zijn toevertrouwd door de opdrachtgever (**)

    (*) gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen
    (**) gekoppeld aan de ABEX-index.

    De verzekeraar kan in de polis een jaarlijkse limiet opnemen van 5.000.000 euro, alle schadegevallen gecombineerd.

     

    Er zijn twaalf wettelijke uitsluitingen mogelijk die in de polis mogen worden opgenomen :

    • a) Schade ingevolge radioactiviteit;
    • b) Schade ingevolge lichamelijke letsels door blootstelling aan wettelijk verboden producten;
    • c) Schade ten gevolge van een gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van contractuele verbintenissen, waaronder
      de gevolgen van het niet respecteren van een verplichting een verzekeringsovereenkomst af te sluiten of in stand te houden of om een borgstelling neer te leggen
      de opgelopen vertraging in de uitvoering van een opdracht of prestatie
      de gemaakte kosten om een slecht uitgevoerde prestatie te herbeginnen of verbeteren;
    • d) Contractuele, administratieve of economische boeten;
    • e) Vorderingen betreffende adviezen die verstrekt worden in verband met:
      keuze en plaats van een installatie, voor zover ze betrekking hebben op het financiële of economische nadeel dat volgt uit die keuze en niet op de intrinsieke kwaliteiten van de installatie, inzonderheid haar stabiliteit of haar werking
      Conjunctuur of marktsituatie, financiële verrichtingen;
    • f) Vorderingen betreffende overschrijdingen van kostenramingen of budgetten, het ontbreken van controles of het maken van fouten in de kostenberekening alsook iedere vorderingen betreffende betwisten of inhoudingen van honoraria en kosten;
    • g) Schade ten gevolge van financiële verrichtingen, misbruik van vertrouwen, oplichting, verduistering of alle dergelijke handelingen alsook oneerlijke concurrentie of aantasting van intellectuele rechten zoals uitvindingen, octrooien, handelsmerken, tekeningen of modellen en auteursrechten;
    • h) Vorderingen tot schadeloosstelling wegens milieuaantasting en de schade die er het gevolg van is;
    • i) De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de maatschappelijke lasthebbers van de verzekerde onderneming krachtens de geldende wetgeving betreffende de fouten in het beheer die zij zouden begaan in hun hoedanigheid van bestuurder of zaakvoerder;
    • j) Schade veroorzaakt door motorrijtuigen in de gevallen van aansprakelijkheid als beoogd door de Belgische of buitenlandse wetgeving op de verplichte verzekering van motorrijtuigen;
    • k) Schade voor dewelke de regelgeving in een financiële tussenkomst voorziet ten voordele van slachtoffers van terreurdaden;
    • l) De uitsluitingen voorzien in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.

    In welke vorm moet de verzekering worden afgesloten?

    De verplichte verzekering kan onderschreven worden in een jaarpolis of in een projectpolis.

    Deze verzekeringen kunnen deel uitmaken van een individuele polis of een globale polis onderschreven voor rekening van alle verzekeringsplichtigen die op een bepaalde werf moeten optreden.

    Hoe geldt het bewijs van het afsluiten van de verplichte verzekeringsovereenkomst?

    De contractuele documenten van alle dienstverleners moeten de naam en het ondernemingsnummer vermelden van de verzekeringsonderneming en het nummer van de verzekeringsovereenkomst.

    Welke sancties voorziet de verplichte verzekering bij het niet naleven van deze verzekeringsplicht?

    • een waarschuwing van een daartoe aangesteld ambtenaar waarin de feiten worden vermeld met het gevolg dat aan de waarschuwing moet worden gegeven en de termijn waarbinnen dit dient te gebeuren alsook wat het verdere gevolg inhoudt;
    • een geldsom die door de ambtenaar wordt voorgesteld bij wijze van transactie om de strafrechtelijke vervolging te vermijden; 
    • een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 10.000 euro.

     

  • 05
    jun.
    De belangrijkste veranderingen door de nieuwe vennootschapswet op een rijtje 

    Vanaf 1 mei gelden nieuwe regels voor wie een vennootschap heeft of opricht. U heeft hierover ongetwijfeld al informatie ontvangen. Hieronder lijsten wij de belangrijkste wijzigingen op.
    Deze wijzigingen gelden voor alle vennootschappen, ongeacht de beroepsactiviteit die wordt uitgeoefend.
    Bent u architect en werkt u als architect-rechtspersoon, dan blijven de voorwaarden om te voldoen als zogenaamde "Laruelle-vennootschap" waarin de aansprakelijkheid beperkt wordt tot de vennootschap, ongewijzigd.

    Afhankelijk van de bestaande vennootschapsvorm, zal u in het licht van de nieuwe wetgeving voor 2024 wel de statuten moeten aanpassen.
    Wanneer u een Comm.V.A. heeft, dan dient deze te worden omgezet naar een NV gezien deze laatste vennootschapsvorm in de nieuwe wetgeving het toelaat om te opteren voor een enige bestuurder.
    Bij een bestaande architectenvennootschap in een CVBA bijvoorbeeld, dan zal u een omvorming maken naar een BV gezien deze laatste eveneens voorziet in soepelere toe-en uittredingsmogelijkheden.
    Zo ook kunnen er na 1 mei geen vennootschappen meer in de vorm van een BVBA worden opgericht. Zij zullen de vorm van een besloten vennootschap (BV) krijgen.
    Voortaan bestaan enkel nog volgende vennootschapsvormen:

    • de maatschap
    • de vennootschap onder firma (VOF)
    • de commanditaire vennootschap (CommV)
    • de coöperatieve vennootschap (CV)
    • de besloten vennootschap (BV)
    • de naamloze vennootschap (nv)
    • (VZW)

    Alle andere bestaande vennootschapsvormen verdwijnen en worden geïntegreerd in de vennootschapsvorm waarmee ze het best overeenkomen. Maar geen paniek. De datum van 1 mei was vooral relevant voor startende ondernemers gezien zij vanaf dan bij de oprichting van een vennootschap beperkt zijn tot bovenvermelde vennootschapsvormen.

    Ik heb al een vennootschap. Wat nu?

    Voor bestaande vennootschappen is er op vandaag nog niets veranderd. U bent echter wel vrij om zich al om te vormen naar een van de resterende vennootschapsvormen. Daarvoor dienen de statuten te worden gewijzigd en zullen vanaf de publicatie van die wijziging, de nieuwe wetsbepalingen gelden.

    Vanaf 1 januari 2020 maken de bestaande vennootschappen (die voor 1 mei 2019 al bestonden) ook kennis met de nieuwe wetgeving. Vanaf dan zijn alleen de dwingende bepalingen van de nieuwe wet van toepassing. De bepalingen in de statuten die daarmee in strijd zijn, worden dan als niet-bestaand beschouwd.

    Bestaande vennootschappen krijgen daarna tot 1 januari 2024 de tijd om hun statuten aan te passen aan de nieuwe wet. Wordt dit niet gedaan, zullen de bestaande vennootschappen (met afgeschafte rechtsvorm) van rechtswege worden omgezet naar de meest passende rechtsvorm. Als dan niet binnen de zes maanden een algemene vergadering wordt bijeengeroepen, kunnen de bestuurders aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die de eigen vennootschap of derden zouden ondervinden door het niet-nakomen van de verplichting.

    Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen? Een kort overzicht

    Afschaffing van het kapitaal in de BV

    Voordien was het zo dat een BVBA een startkapitaal van 18.550 euro moest hebben, waarvan 6.200 euro diende te worden volgestort. Onder de nieuwe wetgeving kan een BV (vervanger van de BVBA) worden opgericht zonder kapitaal. Het is voldoende om een toereikend aanvangsvermogen te hebben. Het aanvangsvermogen kan bestaan uit zowel eigen middelen als uit vreemd vermogen (bijvoorbeeld een lening), inbreng in natura. Men kan ook arbeid of diensten inbrengen.
    Dit moet evenwel verantwoord worden in een goed uitgewerkt financieel plan, dat moet voldoen aan enkele criteria in de wet. Zo zal het plan ook een vooruitzicht van de balans en van de resultatenrekening moeten bevatten, dit ter bescherming van de schuldeisers.

    Dividendenuitkeringen van de BV worden onderworpen aan twee testen:

    • de netto-actieftest: het nettoactief mag niet negatief worden of dreigen te worden
    • de liquiditeitstest: alle opeisbare schulden van de komende twaalf maanden moeten door de vennootschap kunnen betaald worden.

    De bestuurders kunnen aansprakelijk worden gesteld als zij hier niet aan (kunnen) tegemoet komen.

    De NV:

    één aandeelhouder en bestuurder

    Met het nieuwe wetboek kunnen naamloze vennootschappen ook door één persoon worden opgericht. Voorheen waren drie bestuurders nodig waar nu dus één bestuurder volstaat. Het is mogelijk dat de statuten die enige bestuurder vetorechten toekent bij uitkeringen aan aandeelhouders of bijvoorbeeld statutenwijzigingen. Er kan ook een opvolger worden aangeduid wanneer de enige bestuurder overlijdt.

    ontslagbescherming voor de bestuurder

    Voordien konden bestuurders in een NV te allen tijde worden ontslaan (ad nutum afzetbaar).
    Door de nieuwe wetgeving is het mogelijk om in de statuten te laten opnemen dat de aandeelhouders de statutaire bestuurder niet kunnen ontslaan, behalve voor een wettige reden. Met de vernieuwde wetgeving zijn ook opzegvergoedingen, opzegtermijnen en strengere meerderheidsvereisten voor ontslag mogelijk.

    AANDELEN KUNNEN MEERVOUDIG STEMRECHT HEBBEN

    Met het nieuwe wetboek wordt het zowel in de NV als de BV mogelijk aandelen met meervoudig stemrecht uit te geven. Het is wel nodig dat de statuten van de bestaande vennootschappen worden gewijzigd. De statuten kunnen aan één aandeel meer dan één stem toekennen. Zo zijn veel variaties mogelijk bijvoorbeeld de uitgifte van aandelen met een dubbel stemrecht dat na een bepaalde periode tot een enkelvoudig stemrecht wordt herleid. In de successieplanning kan dit tal van mogelijkheden bieden om als ouder toch de controle te behouden.
    Als uw vennootschap beursgenoteerd is, kunnen de statuten enkel in een dubbel stemrecht voorzien voor wie minstens twee jaar zonder onderbreking aandeelhouder is gebleven.

    DE NATIONALITEIT VAN UW BEDRIJF WORDT BEPAALD DOOR STATUTAIRE ZETEL

    Vroeger was het zo dat de nationaliteit van een vennootschap volgde uit de locatie van de voornaamste vestiging. bijvoorbeeld : een bedrijf opgericht in België dat in essentie in Duitsland actief was, viel onder de Duitse wetgeving. Met de nieuwe wetgeving is het zo dat vennootschappen vallen onder de jurisdictie van het land waar hun statutaire zetel zich bevindt. Gezien het vroeger niet altijd duidelijk was wel recht van toepassing is, neemt dit nieuw systeem veel onzekerheid weg.

    BESTUURDERS DIENEN WAAKZAAM TE ZIJN MAAR BESTUURDERSAANSPRAKELIJKHEID WORDT BEPERKT

    Om reden dat de kapitaalvereiste verdwijnt, wordt meer verantwoordelijkheid gelegd bij de bestuurders. Verwijzende naar wat hierboven is geschreven, zullen bestuurders bij dividenduitkering moeten oordelen of de solvabiliteit en liquiditeit van de vennootschap in het gedrang komen. Indien dit niet gebeurt, kunnen de bestuurders aansprakelijk worden gesteld als de vennootschap in de problemen komt. De nieuwe wetgeving begrenst evenwel de aansprakelijkheid van de bestuurders. De grensbedragen waarvoor aansprakelijkheid kan worden opgelopen liggen tussen 125.000 en 12 miljoen euro. Deze begrenzing geldt uiteraard enkel voor een ‘toevallige lichte fout'.

    VZW's VALLEN VOORTAAN ONDER HET NIEUWE WVV

    Ook Vzw’s en stichtingen vallen onder de toepassing van het nieuwe wetboek. Zo kunnen vzw’s net als vennootschappen winstgevende activiteiten uitoefenen. Het blijft voor vzw’s echter wel verboden de winst uit te keren.

    DE TIJDELIJKE HANDELSVENNOOTSCHAP IS VERDWENEN (sinds 01/11/2018)

    Met de aanpassing van het nieuwe Wetboek Economisch recht in 2018 viel deze term reeds weg. De Tijdelijke Vennootschap is in het licht van de nieuwe wetgeving een maatschap, dan wel één van bepaalde duur.

    Besluit

    Als u u de statuten van uw vennootschap wil wijzigen of de omslag wil maken naar een nieuwe vennootschapsvorm, spreek in eerste instantie een notaris aan. Deze wijzigingen moeten notarieel worden vastgelegd. Ook fiscalisten, bedrijfsrevisoren of vermogensplanners kunnen u hierin bijstaan/

    Het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen heeft geen invloed op de voorwaarden om als architect-rechtspersoon te worden ingeschreven op één van de tabellen van de Orde. Bij een statutenwijziging kan u wel best nakijken dat ter gelegenheid van de omvorming, de specifieke voorwaarden inzake Laruelle-vennootschappen gerespecteerd blijven.

  • 14
    mrt.
    De Wet Peeters vernietigt het verzekeringsluik van de wet Laruelle, doch niet het luik met betrekking tot de architect-rechtspersoon 

    Gezien er de laatste maanden heel wat de revue is gepasseerd over de verzekeringsplicht voor bouwpartners in het kader van de tienjarige aansprakelijkheid, willen wij graag enkele zaken op een rijtje zetten.

    De mogelijkheid om de gevolgen van de persoonlijke beroepsaansprakelijkheid van de architect te beperken tot zijn inbreng in de architectenvennootschap is onveranderd.

    Sinds het Reglement van de Orde van Architecten in 1983 (goedgekeurd bij het KB van 18/04/1985, B.S. 8 mei 1985) draagt de architect de deontologische verplichting om zich te verzekeren voor zijn volledige beroepsaansprakelijkheid (waarin ook de tienjarige aansprakelijkheid is inbegrepen).

    Ingevolge artikel 4 van de wet van 15 februari 2006 of de wet Laruelle is de verzekering beroepsaansprakelijkheid wettelijk verplicht gemaakt voor al wie het beroep van architect uitoefent. Die verplichting werd opgelegd zowel voor de natuurlijke persoon als voor de rechtspersoon.
    Sinds de wet Laruelle het mogelijk maakt, kunnen ook rechtspersonen die beantwoorden aan bepaalde wettelijke vereisten het beroep van architect uitoefenen en ingeschreven worden op een van de tabellen van de Orde van architecten.
    Vanaf dan zijn architecten in de mogelijkheid hun persoonlijke aansprakelijkheid voor beroepsfouten uit te sluiten door middel van het oprichten van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid.

    Al snel kwam reactie door het gegeven dat bij schadegevallen waar een architect is tussengekomen, deze laatste gezien zijn (ruime) verzekering quasi zeker in de procedure wordt betrokken om tot een vergoeding te komen. Bij een veroordeling in solidum van de architect met andere bouwpartners, bestaat zo het risico dat de architect als enige verzekerde partij de volledige schadevergoeding moet betalen.
    In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 12 juli 2007 werd geoordeeld dat dit een discriminatie inhoudt voor de architect omdat eenzelfde verzekeringsplicht niet bestaat voor andere bouwpartners zoals aannemers en studiebureaus.

    Vanuit dit standpunt werden vorig jaar twee nieuwe regelgevingen uitgewerkt. De wet Peeters-Borsus (met ingang van 01/07/2018) en de wet Peeters-Ducarme die nog niet definitief is.

    Met de verzekering tienjarige aansprakelijkheid in de bouwsector is slechts gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bestaande discriminatie.

    De eerste wet of de wet Peeters-Borsus inzake de verplichte verzekering tienjarige aansprakelijkheid van aannemers, architecten en andere dienstverleners in de bouwsector, is van toepassing op woningen in België gelegen of woningen met kantoorfunctie die geheel of hoofdzakelijk (meer dan 50 %) bestemd zijn voor bewoning door een gezin of alleenstaande.
    Zo zijn collectieve woningen waar minstens één woonplaats of sanitair blok gemeenschappelijk is en/of gebruikt wordt door personen zonder familiale band, uitgesloten van deze verzekeringsplicht.
    Ten slotte moet de definitieve vergunning zijn verleend na 30/6/2018 om onder de toepassing van de wet te vallen.

    Naast de architecten zijn sinds de wet Peeters-Borsus ook verzekeringsplichtig :

    • de aannemers en dienstverleners in de bouwsector die tussenkomen in de gesloten ruwbouw
    • die voor rekening van een derde en tegen vergoeding (zelfbouwers hebben dus geen verzekeringsplicht)
    • onroerende werken uitvoeren of intellectuele prestaties leveren m.b.t. onroerende werken aan een woning in België gelegen
    • waarvoor de tussenkomst van een architect wettelijk verplicht is,

    Onderaannemers moeten geen aparte verzekering onderschrijven, maar zijn volgens de wet gedekt in de polis van hun hoofdaannemer.

    De verplichte verzekering voor aannemers en andere dienstverleners in de bouwsector is met andere woorden beperkt gebleven. Aannemers en studiebureaus hebben geen verzekeringsplicht voor schadegevallen die zich voordoen vóór de oplevering en ook niet voor de lichte gebreken, wat uit statistische gegevens nochtans de meest voorkomende schadegevallen uitmaken. Voor de niet-woningbouw is er helemaal geen verplichte verzekering opgelegd, dus ook niet voor de tienjarige aansprakelijkheid.      

    De wet inzake de verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor intellectuele beroepen (de zogenaamde tweede wet of wet Peeters-Ducarme) diende aanvankelijke op dezelfde datum van kracht te worden als de wet Peeters-Borsus maar de inwerkingtreding werd verschoven naar een latere datum. Deze tweede wet die in bespreking is, zal de wettelijke verzekeringsplicht voor de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid – met uitzondering van de tienjarige aansprakelijkheid (die in de wet Peeters-Borsus is voorzien) terug opleggen – niet enkel aan architecten, maar ook aan landmeters, interieurarchitecten en alle andere dienstverleners in de bouw (geen aannemers). Deze wet slaat ook op werken zonder verplichte tussenkomst van een architect en gaat over alle intellectuele prestaties m.b.t. tot elke vorm van onroerend werk.  De tweede wet omvat ook reparaties aan en een aanvulling van de eerste wet Peeters-Borsus.
    Deze wet laat nog op zich wachten.

    De verzekeringsplicht in de wet Laruelle is afgeschaft maar de wet Laruelle blijft wel bestaan.

    Er werd beslist om het verzekeringsluik uit de wet Laruelle te halen en op het gebied van de verplichte verzekering de bouwpartners meer op hetzelfde niveau te plaatsen in een nieuwe wet. Door de wet-Peeters-Borsus is de wettelijke verzekeringsplicht voor de architect op heden opnieuw enkel een deontologische verplichting behoudens de tienjarige aansprakelijkheid voor woningbouwprojecten.

    De aansprakelijkheid van de architect blijft echter wel dezelfde. Ook de deontologische verzekeringsplicht blijft ongewijzigd. Waar de architect vroeger integraal was verzekerd voor zijn beroepsaansprakelijkheid, is er nu een opsplitsing tussen de beroepsaansprakelijkheid en de tienjarige aansprakelijkheid voor de woningbouwprojecten.

    Opgelet dus. Het is niet omdat de gekende wet Laruelle een aanpassing heeft ondergaan, dat deze wet volledig is vervangen. De wet Laruelle blijft wel degelijk bestaan.
    De mogelijkheid om de architect-rechtspersoon in te schrijven op de tabel van de Orde van architecten en het beroep van architect uit te oefenen, blijft bestaan. Enkel werd het onderdeel van de verplichte verzekering vervangen door de nieuwe regelgeving.

    Om als architectenvennootschap het beroep van architect uit te oefenen, moet deze voldoen aan enkele wettelijke voorwaarden in de wet Laruelle.

    Bij een architectenvennootschap conform de wet Laruelle wordt het vennootschapsvermogen van de architect-rechtspersoon afgescheiden van de privévermogens van de vennoten/aandeelhouders.
    De aansprakelijkheid van de vennoten/aandeelhouders is in beginsel beperkt tot hun inbreng in de vennootschap. De contractuele aansprakelijkheid als architect in de uitoefening van het beroep wordt volledig gedragen door de vennootschap die als architect en als contractspartij van de opdrachtgever optreedt.

    Om als rechtspersoon met rechtspersoonlijkheid het beroep van architect uit te oefenen, moet voldaan zijn aan volgende voorwaarden:

    • Alle zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité en meer algemeen alle zelfstandige mandatarissen die optreden in naam en voor rekening van de rechtspersoon,moeten natuurlijke personen zijn die het beroep van architect mogen uitoefenen (d.i. voldoen aan de diplomavereisten én ingeschreven zijn op één van de tabellen van de Orde van architecten).
    • Het doel en activiteit van de vennootschap moet beperkt zijn tot het verlenen van diensten die behoren tot de uitoefening van het beroep van architect.
    • Indien de vennootschap is opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen, moeten de aandelen op naam zijn. Ten minste 60 % van de aandelen alsook de stemrechten moeten rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn van natuurlijke personen of rechtspersonen die ertoe gemachtigd zijn het beroep van architect uit te oefenen.
    • Alleen deelnemingen in vennootschappen en/of rechtspersonen van uitsluitend professionele aard zijn toegelaten.
    • De rechtspersoon moet zijn ingeschreven op één van de tabellen van de Orde van architecten.